HOME | ROUTES | ACTIVITEITEN | SPONSORS | LINKS | FOTOBOEK | FORUM | FAQ
 GASTENBOEK | LID WORDEN | CONTACT | MAILFORUM | GPS | REIZEN | NIEUWS

MotorTouring in de Ardennen (GPS) (Alain Somerlinck)

Afstand: 263 km.
Vertrek: Aire de Wanlin (E411)
Koffiepauze: Massin
Middagmaal: Bouillon
Koffiepauze: n.v.t.
Aankomst: Aire de Wanlin (E411)
Programma: Deze ZEER vlotte en mooie Ardennen rit hebben wij gereden op ZONDAG 4 SEPTEMBER 2005. De Ardennen vormen één van de laatste grote reservaten van West-Europa en als zodanig zijn ze een uitstekende biotoop voor grote en gewervelde dieren. Voor wie ze wil observeren of fotograferen, gelden enkele vuistregels. Als u de bebouwde kom verlaat, moet u als stelling aanvaarden dat u het dierenrijk instapt, wat wil zeggen dat u reeds lang vóór de bosrand moet stoppen met praten of fluiten, want het dierenrijk heeft zijn verkenners. Vogels waarschuwen hun lopende collega`s voor de aankomst van tweebenige wezens. Sporen van dieren zijn vooral te vinden in de bossen en bij de rivieren. Het herkennen van sporen is al een sport op zich. Van de pootafdrukken zijn leuke gipsafdrukken te maken. Om een dier van dichtbij te zien, kunt u het beste een drinkplaats zoeken door een wildpad daar naartoe te volgen. In de winter komen de grotere dieren ook op het hooi af dat door de boswachters als bijvoeding wordt neergezet. Herten en zwijnen Het meest tot de verbeelding spreken de grote zoogdieren, die in de Ardennen nog tamelijk veel voorkomen. Het edelhert (ook wel `grote rode hert` genaamd) is een echte kanjer: met een gewicht van meer dan 150 kilo kan het twee meter lang worden en een schouderhoogte bereiken van 1,40 meter. In de winter ziet de vacht er grijs uit, in de zomer eerder scharlaken, bijna rood. De mannelijke exemplaren dragen een gewei dat tot tien takken kan bevatten. Probeer niet de leeftijd van het dier te schatten aan de hand van het uiterlijk van de takken, want oudere herten verjongen hun gewei gedeeltelijk. De wijfjes zijn kleiner. De jongen dragen een bruine, met witte vlekken bespikkelde vacht. Een jong blijft ongeveer een jaar lang bij zijn moeder, waarna het een eigen groep kiest. De herten leven in families of kleinere groepen in de grootste bossen, waar ze zich voeden met gras en bloemen. In september weerklinkt de ruige paringsroep van het edelhert door de Ardense bossen en meten de mannetjes hun kracht om de reeën. Niet voor niets noemt men het edelhert de koning van de Ardennen: de beeltenis van zijn kop tooit het wapen van de stad Saint-Hubert. De (mannelijke) ree is kleiner dan het edelhert, en beweegt zich gracieuzer. Zelden weegt dit dier meer dan vijfentwintig kilogram. Een vrouwelijke ree heet een hinde. Reeën zijn op een eenvoudige wijze van de herten te onderscheiden: zij torsen op hun achterwerk een witte vlek, die groter wordt als het dier gevaar voelt en op de vlucht slaat. U kunt ze overal in de Ardennen te zien krijgen, soms vlak bij bebouwd land en weiden. De meeste kans om een ree te zien, heeft u vroeg in de morgen en `s avonds. Net als de herten voeden ze zich `s nachts en houden ze zich overdag schuil in de dichte begroeiing. Tot dezelfde familie behoort ook het damhert, herkenbaar aan het gewei, dat minder vertakt is dan dat van het edelhert, waar het onderscheid tussen draagtak en takken duidelijk kan worden waargenomen. Nog meer dan het edelhert is het everzwijn het symbool van de Ardennen. Zijn beeltenis vindt u onder andere terug in het briefhoofd van de provincie Luxemburg. Hoewel het slechts een wild varken is, gaat van dit vooral in de paar- en zoogtijd gevaarlijke dier een indruk van oermacht uit. De mannetjes wegen tot 700 kilo De huid van een volwassen everzwijn is grijszwart. De jongen zijn overwegend rossig bruin, met gele, horizontale strepen op de rug. Naarmate het everzwijn ouder wordt, verandert zijn kleur van bruin via grijs naar zwart. De soms nogal agressieve `solitairen`, of oude alleenlopende mannetjes, zijn helemaal zwart. Ofschoon de everzwijnen net als de herten vooral `s nachts op zoek gaan naar hun (plantaardige) voedsel, zijn ze ook overdag te zien. Ze wentelen zich graag in de modder en durven het zelfs aan om hekken rond tuinen of velden te vernielen: de schaarse maïsvelden in de Ardennen zijn dan ook vaak beveiligd met schrikdraad. Tot verdriet van de natuurliefhebbers wordt in de Ardennen veel gejaagd op herten, reeën en everzwijnen. Reeën en wilde zwijnen komen er in zulke grote aantallen voor dat de jacht noodzakelijk is om het natuurlijke evenwicht te bewaren. De jacht is streng gereglementeerd, maar er zijn ook stropers die zich aan geen regels storen, en woedende landbouwers die een zwijn doden dat zich te goed wilde doen aan een maïsveld. Herten zijn zeldzamer, en de jachtreglementering terzake is daarom strenger. Voor wandelaars is het van belang te weten wanneer de jagers op pad gaan. In het jachtseizoen is zondag meestal geen veilige wandeldag. Een officiële jacht staat overigens bijna altijd aangekondigd op de toegangspaden in een jachtgebied. Herkauwers Vroeger graasden in de Ardennen de oeros en de Europese bizon of wisent. De oeros is eigenlijk al eeuwen uitgestorven, maar uit gewone runderen werd dit maar liefst 900 kilo zware dier teruggefokt. In enkele wildparken kan deze nieuwbakken oeros in de Ardennen worden waargenomen; hij valt door zijn omvang erg op. Met de wisent/bizon is het anders gesteld. Dit dier verdween reeds rond de 14de eeuw uit de Ardennen. De soort bleef in Oost-Europa en de Sovjet-Unie in leven en vanuit Polen werden opnieuw exemplaren ingevoerd naar de wildparken van de Ardennen. De bizon gedijt er goed, maar een echte verwildering zit er nog niet in. Nog zo`n geval apart is de moeflon. Dit wilde schaap, dat een paar decennia geleden in de Ardennen is uitgezet, werd er nooit eerder gesignaleerd. De moeflons pasten zich in de wildparken erg goed aan en er bestaan aanwijzingen dat enkele `einzelgänger` zich zelfs buiten de beschermde omgeving hebben gevestigd. Roofdieren Vossen komen in de Ardennen nog algemeen voor. Volkomen onterecht geniet de vos een kwalijke reputatie. Vossen jagen op klein wild en voeden zich met dode dieren. Alleen als ze jongen hebben, jagen ze op alles wat beweegt, en daar wil wel eens een kip tussen zitten. Ze worden ten onrechte beschouwd als de voornaamste dragers van de bacillen van hondsdolheid, waarvoor ze op ongenadige wijze worden bestreden. De laatste tijd probeert de overheid het vossenbestand te beschermen door vlees met antistoffen tegen deze ziekte neer te leggen bij hun holen. Deze methode heeft succes, maar u moet er op bedacht zijn nooit vlees aan te raken in een gebeid waar deze methode wordt toegepast. De boswachters maken dit bekend door middel van affiches op bomen (`hondsdolheid` is in het Franse `rage`). Men zou ze de Ardense luipaarden kunnen noemen: de wilde katten. Deze dieren zijn weinig te zien, maar ze doen het hier uitstekend. Het zijn geen verwilderde huiskatten, maar oorspronkelijke bosdieren. Lange tijd dacht men dat het bestand van wilde katten in de Ardennen verminderde. Pas de laatste tijd beseft men dat hun aantal juist toeneemt. Deze dieren kunnen tot één meter lang worden, maar ze wegen zelden meer dan vijf kilo. Wilde katten leven hoofdzakelijk `s nachts, waarbij ze van tak naar tak wandelen of springen. Dit is ook de reden waarom ze zo weinig worden gezien: hun bestaan speelt zich hoofdzakelijk af in het dichte gebladerte van het loofwoud, waar zij jacht maken op houtduiven. Een wilde kat beschikt over een opvallend wollige staart. De lynx (of `los`) is een katachtig roofdier met een korte staart, dat een aantal jaren geleden is uitgezet in de aangrenzende Eifel. Inmiddels zijn daarvan enkele exemplaren overgelopen naar de Ardennen. Bij het dorp Elsenborn in de Hoge Venen werd in de 19de eeuw de laatste Ardense wolf doodgeschoten, nadat zijn soortgenoten eeuwenlang de schrik van schaapherders en boeren waren geweest. In de volksliteratuur van de Ardennen speelt de wolf nog steeds een grote rol. Knaagdieren In de Ardennen leven natuurlijk ook kleinere zoogdieren. Er lopen eekhoorns, konijnen, hazen, mollen, egels, hermelijnen en ratten en muizen rond. Naast deze kleine knaagdieren zijn er enkele grotere soorten, zoals de steenmarter en de boommarter. De boommarter leeft net als de wilde kat in de toppen van de bomen. Zijn voorkeur gaat uit naar sparrenbomen. De steenmarter leeft dicht bij de bewoonde wereld. Hij deinst er niet voor terug om boerderijen binnen te dringen en eieren te roven. Een groot gedeelte van de kwade faam van de vos mag op rekening van de steenmarter worden geschreven. De bunzing en de fret, die in de Ardennen nog veel voorkomen, zijn er inheems, net als de hermelijn en de wezel. Ten slotte moet een bijzonder dier worden vermeld: de muskusrat. Die is in geheel Europa aan een opmars bezig, dus ook in de Ardennen. Het dier werd in 1905 vanuit Noord-Amerika in Tsjecho-Slowakije geïntroduceerd, waar hij vanwege zijn pels werd gefokt. Pas in 1930 kwamen de eerste muskusratten naar België. In diverse landen zijn zij intussen een ware plaag geworden, nadat enkele exemplaren uit de eerste kwekerijen waren ontsnapt. Dat in de Ardennen niet van een plaag kan worden gesproken, is wellicht te danken aan de aanwezigheid van grotere roofdieren, die jacht maken op de muskusratten. Vogels Een groot aantal vogels heeft zijn leefgebied in de Ardennen. Er is een aparte vogelgids nodig om ze allemaal te noemen. Op deze plek worden de meest voorkomende soorten genoemd, waarmee niet is gezegd dat kleinere of minder kleurrijke vogels niet interessant zouden zijn. De reiger is de koning van de watervogels. In West-Europa vertoont deze fraaie steltloper de neiging om zich aan de menselijke maatschappij aan te passen door te gaan vissen in plassen of beken vlak naast de autowegen. De reigers van de Ardennen hebben daarentegen nog genoeg ruimte; zij verlaten zelden de natuur. Het beeld van een vlucht eenden over een Ardense rivier behoort tot het meest karakteristieke dat deze streek te bieden heeft. Wie langs de rivier logeert of kampeert in een kalme streek, kan in augustus meemaken hoe een school jonge eenden leert om op te stijgen en landen op het water: de eendenschool. Fazanten en patrijzen zijn overbekend. Ze zijn vrijwel overal aan de rand van het bos te zien. In het bos treft men ook verschillende soorten duiven, zoals de houtduif, de tortelduif en de Turkse tortels. Een bijzondere vermelding verdient de grote korhoen (in het Frans `tétras`), waarvan werd aangenomen dat het in de loop van de 19de eeuw uit de Ardennen was verdwenen, maar dat in de laatste decennia weer een paar keer zou zijn waargenomen, met name in de Hoge Venen. Het kleine korhoen kom in ieder geval nog wel voor in de Ardennen. De vogel die uren boven een Ardens plateau of een bos kan zweven met gespreide vleugels om dan plots als een steen naar beneden te duiken, is in de meeste gevallen een buizerd. Ook andere grote roofvogels, zoals valken, sperwers en uilen doen het hier goed. In het zuiden van de Ardennen worden zo af en toe raven gesignaleerd, kraaiachtige vogels die meer dan een halve meter lang worden. Van de kleinere vogels van de Ardennen is de ijsvogel de allermooiste: als een staalblauwe kogel met oranje onderlijf schiet hij in een rechte baan laag over de snelstromende rivier, of duikt hij van een tak boven het water tot twintig centimeter onder water om zijn prooi boven te halen. In het Frans wordt hij dan ook `martin-pêcheur`, of `Martijn-de-visser` genoemd. Vissers beschouwen hem als vriend, omdat zijn aanwezigheid getuigt van een zeer rijke visstand. In het water De rivieren van de Ardennen behoren tot de visrijkste van geheel Europa en zij vertonen een zeer afwisselend visbestand. Zoals het hert de vorst is van het woud, zo is de forel zonder enige twijfel de koning van de rivier. Forellen komen alleen voor in snelstromend water, dus vaker aan de bovenloop van de rivieren dan aan de bredere middenloop. Het vissen op forellen gebeurt op een bijzondere wijze. De visser staat midden in de stroom, met aan het uiteinde van zijn hengel een lange draad met een kleurig kunstvliegje met een haakje. De visser zwaait de hengel in brede bewegingen rond, zodat de bewegingen van een echte vlieg worden geïmiteerd. De forel laat zich vangen als het kunstvliegje even op het water wordt stilgelegd. Forellen voeden zich ook met kleine waterdieren. Als zij veel waterkreeftjes eten, krijgt hun vlees een roze kleur. De roze forel is dus geen aparte vissoort, maar een vis die zich uitgebreid aan kleine waterkreeftjes te goed deed. Ook de grote zoetwaterkreeft (in het Frans `écrevisse`) wordt nog in grote hoeveelheden aangetroffen in de zuiverste delen van de snelstromende rivieren, evenals de zoetwatermossel, maar deze heeft behoefte aan stiller water. Vroeger werd op de zoetwatermossel gevist – niet allee vanwege het vlees maar ook vanwege de parels die sommige mosselen bevatten – tegenwoordig wordt de mossel als oneetbaar beschouwd. Maar ze liggen er nog wel, net onder de waterspiegel. Gehele banken vol: de parelbanken van de Ardennen. Maak van deze kennis geen misbruik. De inwoners van de Ardennen zijn trots op hun natuurlijke rijkdommen. Niet alleen op forel kan worden gevist, ook de voorn, zeelt, snoek, grondel, paling, karper en andere, minder bekende vissoorten komen voor in de Ardense wateren. Het vissen is er aan strenge reglementen onderworpen. Er bestaat een vuistregel waarmee de overheid een einde probeert te maken aan het bijna permanente geruzie tussen vissers en kanovaarders. Tussen tien uur `s morgens en vijf uur `s middags hebben de kanovaarders in principe het rijk (de rivier) voor zich alleen. De rest van de dag en de nacht is voor de vissers. Reptielen Hoewel het grootste gedeelte van de Ardennen in de winter te koud is voor slangen, komen ze toch vrij veel voor, vooral in de buurt van de rivieren. Wetenschappers nemen aan dat het slangenbestand van de Ardennen nog niet volledig bekend is. In elk geval worden de ringslang en de giftige adder geregeld opgemerkt. In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, leven deze slangen bij voorkeur op een vochtige bodem. Dat veel mensen ten onrechte denken dat de adder de voerkeur geeft aan de rotsen, komt omdat hij verward met de onschadelijke hazelworm, die wel de droogte en warmte opzoekt. De beet van de adder kan dodelijk zijn. Als je op een vochtige bodem een slang ziet, kun je dus maar het best een eind uit de buurt blijven. Een adder valt overigens nooit zelf aan. Dan zijn er de hagedissen: de muurhagedis in het warmere zuiden van de Ardennen, de levendbarende hagedis in de vochtige gedeelten en in de Hoge Venen. Daar leeft ook de geel-zwartgevlekte salamander, die bij aanraking een vergif spuit dat vooral voor ogen zeer schadelijk kan zijn.
Het Roadbook is nog niet beschikbaar
De GPStrack is nog niet beschikbaar
Het trippy bestand is nog niet beschikbaar


Terug naar vorige pagina